Analysis of Schubert's 'Winterreise' by Geert Woltjer

Lied 13. Der greise Kopf

De rijp heeft de wandelaar grijs gemaakt. Geeft even de illusie van ouderdom. Zich zeer verheugen op de dood wordt hier expliciet gemaakt.

Drie strofen: these, antithese, synthese, d.w.z.  dicht bij dood, ver van dood. Youens ziet dit ook in klankkleur. Eerste met ei en eu, tweeede met r, à, au en a;  Wieder en weit echter opener. Dan in laatste couplet donkere klanken, maar rijwoorden Greise en Reise open.

Opbouw piano introductie. Tonica, dominant septiem, 7-akkoord, tonica. Het 7-akkoord geeft de onbestemdheid weer. De basnoot blijft echter voortdurend een C. De melodielijn bestaat gewoon uit gebroken akkoorden. De lijn in de eerste twee maten is extreem stijgend over het hele normale bereik van de tenor, met op de overgang van maat twee naar maat 3 een grote sprong, de verminderde kwint. De afstand tussen basnoot en melodienoot is hier ook het grootste. Bij het bereiken van de tonica wordt eerst een versiering rond de terts gemaakt, om de aankomst bij de realiteit weer te geven en misschien een poging om deze nog even te ontkennen voor het bereiken van het bewustzijn van de realiteit. Het hele thema geeft dus hoop en verwachting, desillusie en berusting weer.

Het hele lied is afgeleid van deze eerste vier maten. De eerste zin gebruikt de melodielijn, waarbij Youens erop wijst dat de tekstaccenten verkeerd liggen, als indicatie van de verwarring. Verder gaat de melodie minder hoog; dat maakt het iets beter te zingen (?). De tweede helft wordt herhaald in de pianopartij, maar dan op de goede hoogte.

De tweede zin is helemaal in de dominant (?); de dramatiek is veel minder, aangezien de lijn naar beneden met veel kleinere stapjes gaat; wel echter met dezelfde triolen ritmiek. De tegengestelde melodielijn van piano en zang in maat 13 verhoogt het gevoel van vreugde. De tweede helft van de zin wordt weer herhaald.

Tweede couplet begint als een soort recitatief, gevolgd door unisono in de tweede helft ervan. Eerste helft stijgende tendens, tweede helft dalende tendens. De tonale structuur is zeer onduidelijk in tweede (en eerste?) helft roept onzekerheid op.

Laatste strofe begint als herhaling van de melodie, maar nu met de goede woordaccenten. Dan wordt maat 11-14 min of meer herhaald. Alleen “glaubt” is nu veel hoger, om de vraag te accentueren. Overigens: in de Müller’s versie is er de eerste keer “meint’s” in plaats van “glaubt’s”; Schubert lijkt dit bewust te hebben aangepast om de relatie in het laatste couplet te maken; overigens ten koste van de gemiddelde klankkleur in het eerste couplet.

De tweede helft van de laatste zin wordt sterk uitgewerkt in de muziek. In maat 38 is een uitgebreide tegenbeweging van zang en piano. Dan wordt de tweede helft van de laatste zin herhaald zonder tegenbeweging, de dalende tendens in de melodie voortzettend. Reise wordt sterk uitgesponnen in de dominant, om de bitterheid van het vervolg van de reis weer te geven. Het leid wordt afgesloten met de laatste helft van het introductiethema.