Geert Woltjer, Analysis of Schubert's Winterreise

Een liederencyclus op gedichten van Wilhelm Müller (1794-1827)

Winterreise beschrijft de omzwervingen van een jonge man na een kansloze liefde. De naamloze hoofdpersoon zwerft aanvankelijk doelroos door een kaal en zo goed als ontvolkt winterlandschap. Gaandeweg de reis dringt het tot hem door dat hij op zoek is naar rust. Hij keert zich steeds bewuster af van alle beschaving, schuwt gezelschap, verwildert en vervreemdt. Hij begint te beseffen dat de rust die hij zoekt alleen in de dood te vinden is. Delirisch door koude, vermoeidheid en uitputting zijgt hij tenslotte neer en ziet hij een oude lierspeler, een verschoppeling, net als hij. Alleen met deze man kan hij zich nog identificeren. Verder reizen wil hij alleen met hem.

Winterreise is eerst en vooral een zelfonderzoek naar de rand van het menszijn, naar de grenzen van het menselijk incasseringsvermogen, zowel fysiek als psychisch. Fysiek eindigt zij in uitputting, psychisch in fragmentatie. In dit zelfonderzoek speelt de tegenstelling tussen cultuur en natuur een belangrijke rol. De keuze voor de onherbergzaamheid van de natuur, is feitelijk een keuze tegen de geborgenheid van de cultuur. Weg van alle culturele conventies, ligt verwildering voortdurend op de loer.

Van natuur gaat een morele leegte uit die aanstekelijk werkt op wie erin vertoeft. Na een lang verblijf in die morele leegte verschilt de mens niet langer fundamenteel van het beest. Cultuur blijkt slechts een dun laagje vernis. Slechts het bitterzoet terugverlangen naar die toestand van schijngeborgenheid rest de hoofdpersoon nog: "Nur Täuschung ist für mich Gewinn".

In deze wilde, amorele omgeving, waarin nog amper ruimte is voor zoiets als een mensbeeld, is zeker geen plaats meer voor een godsbeeld. De metafysica is daarvoor te zeer een cultuurproduct en aan een moraal gebonden. Hier gelden enkel nog de pragmatische wetten van het hier en nu, de natuurwetten van het overleven. De dolende hoofdpersoon verliest dan ook zijn geloof in het hogere en roept even hoogmoedig als vertwijfeld uit dat de mensen zelf de goden zijn. Zo, los van de cultuur en haar knellende conventies, wordt de mens zelf god, Dionysus, schepper en vernietiger tegelijk, van zichzelf, zijn wereld en zijn metafysica. Zo wordt Winterreise een haast Nietzscheaans verhaal van de moderne seculiere mens en de amorele onderstroom van het bestaan.

Hieronder zijn enkele aantekeningen gemaakt naar aanleiding van het lezen van het boek van Suzan Youens over Winterreise: a winter's journey.

  1. Achtergrond Müller gedichten

    1. Vaak politiek geladen gedichten. Overmatige regels.

    2. In kritieken: vaak gericht op  ongekunsteldheid, natuurlijkheid, waarheid, eenvoud. De beste Duitse poëzie gaat over Duitse bodem.

    3. Is de poet-musician een wensdroom van Müller? Gedrukt in tijd dat Müller trouwde. Dus weinig uit directe eigen leven.

    4. Wandelen.

    5. Gedichten in loop van de tijd herordend.

    6. Monodrama (p 51) Ontwikkeling van psyche, van binnen uit. Alleen vanuit het perspectief van de wandelaar, zowel psychisch als echt aan het wandelen. Tijdsontwikkeling is volledig subjectief.

    7. Centraal thema in de cyclus is illusie en realiteit. Het lijkt te gaan naar een acceptatie van de realiteit.

    8. Youens, 59: Winterreise is niet over atheisme, maar het is essentieel dat de wandelaar geen hogere macht voor troost heeft. Er is geen leven na de dood. In Gute Nacht moppert de wandelaar al over de slechte intenties van God m.b.t. de wandelende liefde. P. 61:  Aan het einde van de cyclus erkent de wandelaar in 'Die Nebensonnnen' de illusie van de liefde. Hij realiseert zich dat zij nooit voor haar was bedoeld.

    9. P 62. De bedelaar, de draailierspeler, is een projectie van de ergste nachtmerries van wat hij zou kunnen worden. Een dubbelganger. P. 64. Een outsider. P. 65. Alles wie es will. Interpretatie van de weg in de wegwijzer en de draailierspeler als symbool van dood is voor de hand liggend, maar problematisch. Waarom Wirtshaus na Wegweiser, daar afgewezen, als hij uiteindelijk toch dood gaat? P. 67. Hij wou eerst wederkerige liefde en huiselijkheid, dan een nihilistische dood, niet een eenzaam artiestenbestaan. (Dat is waar de weg uiteindelijk naar toe gaat?) De doodsklokken in het laatste lied suggereren toch einde. De Nebensonnen lijken maar matig op een acceptatie; meer een soort hallucinatie.

    10. P. 67. Als de dood hem heeft afgewezen, dan in moed: Als er geen God op aarde is, dan zijn we zelf goden. In een wereld zonder god, zonder comsiche orde, moet je zelf een wereld creëren, betekenis aan het leven geven. Alleen gekken klagen over wat niet kan worden veranderd.

    11. P. 62. In de meeste analyses stelt men dat de reis uitkomt in de dood of in gekte; er is zelfs een schrijver die clinische aanwijzingen ziet dat hij schizofreen wordt in 'Der Leiermann'. Taal verandert echter. Lijkt dus niet erg waarschijnlijk. Freud: rouw begint met focus op het verdriet, verlies aan belangstelling voor de buitenwereld, en een afwenden van de gedachten van de verloren liefde. Bang om geliefde echt te verliezen. In het zevende lied (Auf dem Flusse) probeert de wandelaar zijn geliefde in gedachten te begraven.

    12. P. 64. Der Lindenbaum als punt van herinnering, bijna daar blijven (en doodgaan), maar toch verder gaan.

    13.  

  2. Achtergrond Schubert

    1. Maar één liefde, niet kunnen trouwen. Zij trouwde een ander. Verder (of sindsdien) nogal afstandelijk t.o.v. vrouwen

    2. Dood naderde. Tyfus (cyclus 1827; gestorven 1828, 31 jaar oud) of Syphilis (Youens, p 72)

    3. Kwam niet opdagen op avond dat hij eerste 12 liederen zou laten horen. Hij was niet erg betrouwbaar, maar toch niet zo sterk. Misschien had hij net volgende 12 liederen gevonden.

    4. Trial and error. Veel correcties. Zie aantal voorbeelden. P 39, 40., 42 (Wetterfahne)

    5. Vijf liederen naar beneden getransponeerd. Uitgever??

    6. Auf dem Flusse was eerst mässig, nu langsam

    7. Woordveranderingen

    8. Relaties

    9. Motieven

                                                               i.      Wandelmotief

                                                             ii.      Zuchtmotief

    1. Relaties tussen liederen; Erstarrung/Lindenbaum

    2. Tonaliteit

                                                               i.      Relaties tussen leideren

                                                             ii.      Mineur/majeur

    1. Piano intro vaak al een verhaal

    2. Accent

    3. Tempi

    4. Dynamiek